Volledig advies › SER Noord Nederland

Volledig advies

De SER Noord-Nederland constateert dat de problematiek van de bevolkingsdaling nu zowel bij bestuurders als bij het bedrijfsleven serieus aandacht krijgt. Tegelijkertijd constateert de SER Noord-Nederland dat er in de praktijk nog nauwelijks sprake is van een gericht beleid vanuit een duidelijke visie. Enerzijds komt dit doordat het een complexe problematiek betreft, anderzijds is er een gebrek aan bestuurlijke daadkracht omdat niet duidelijk is welke overheid de verantwoordelijkheid moet nemen en er op gemeentelijk niveau sprake is van conflicterende belangen.
Dit is de voornaamste aanleiding voor de SER Noord-Nederland om dit ongevraagde advies uit te brengen aan het Samenwerkingsverband Noord-Nederland.
 

Daarnaast heeft het kabinet in maart jongstleden een adviesaanvraag gedaan bij de landelijke SER met het verzoek een advies uit te brengen over het thema bevolkingsdaling. In dit advies wordt gevraagd de focus te leggen op in de eerste plaats de vraag hoe het (regionale) bedrijfsleven beter betrokken kan worden en actief kan bijdragen aan de aanpak van krimp en ten tweede de vraag hoe de kansen die krimp biedt voor het landelijk gebied benut kunnen worden. De SER Noord-Nederland vindt het belangrijk dat zij input levert aan de SER voor deze adviesaanvraag. Immers Noord-Nederland loopt – samen met Parkstad Limburg en Zeeuws Vlaanderen - voorop bij de trend van bevolkingsdaling en de ontwikkeling van een visie hoe deze trend in de toekomst te plaatsen. De SER Noord-Nederland zal in deze notitie deze twee specifieke vragen vanuit de nationale SER plaatsen in een breder kader van alle aspecten die bij bevolkingsdaling aan de orde komen, zoals daar ook zijn de arbeidsmarkt, het onderwijs, de zorg en het volkshuisvestingsbeleid in de regio. 

Onderstaand volgen de 5 concrete adviezen die de SER Noord-Nederland ziet voor Noord-Nederland. Daarna volgt een beknopte analyse waarop deze adviezen zijn gebaseerd. 

1. Faciliteren en Stimuleren van economische ontwikkelingen

De SER Noord-Nederland beschouwt krimp niet enkel als probleem, maar ziet juist ook nieuwe kansen, in aansluiting op het eerdere advies over Ruimtelijke Ordening (SER Noord-Nederland mei 2010). De sociaaleconomische visie van de provincies / SNN (zie ook punt 2) dient daarin leidend te zijn.
 

De SER Noord-Nederland wil daarbij alvast de volgende punten agenderen:

  1. Uitgangspunt is dat Nederland tegelijkertijd te maken heeft met zeer dichtbevolkte en groeiende stedelijke gebieden die in de Randstad leiden tot veel congestie waardoor de economische groei van Nederland wordt bedreigd. Aan de andere kant zijn er nog gebieden met ruimte zoals in het Noorden, met name in de kernzones. Een optimale spreiding van de economische activiteiten kan niet beleidsmatig worden afgedwongen, maar kan wel worden gefaciliteerd door via goede infrastructurele voorzieningen de arbeids-, woon- en bedrijfsmobiliteit zoveel mogelijk te faciliteren zonder dat dit leidt tot aantasting van de voor het Noorden zo belangrijke ruimtelijke kwaliteit.
  2. De samenhang tussen de regio’s in Noord-Nederland dient te worden verbeterd door investeringen in infrastructuur in de noordelijke regio. Goede verbindingen (wegen, trein) met andere delen van Nederland en Europa zijn noodzakelijk om in te spelen op de mobiliteitstoename. Maar ook de aanleg van strategische knooppunten (A7-N33) kan in een regio zorgen voor nieuwe werkgelegenheid en bedrijvigheid aantrekken uit andere delen met congestie;
  3. Een belangrijke vestigingsvoorwaarde is een goede ICT-infrastructuur. Er dient daarom geïnvesteerd te worden in de snelste internetverbindingen in de gehele regio. Dit biedt ook goede mogelijkheden om naast de steden ook het platteland aantrekkelijk te maken als vestigingsgebied voor hoogwaardige werkgelegenheid en biedt mogelijkheden voor nieuwe arrangementen op het terrein van domotica en zorg en combinaties van wonen en werken, bijvoorbeeld in panden die vrijkomen door de bevolkingsdaling . 
  4. Sterke sectoren zoals zorg en onderwijs kunnen als springplank fungeren voor verdere economische ontwikkelingen. Noord-Nederland kan de krimp dan gebruiken om een koppositie te ontwikkelen in de ontwikkelingen van nieuwe diensten, die in de komende jaren in andere krimpgebieden kunnen worden toegepast. Hierbij kan worden gedacht aan het noordelijk Healthy Ageing Network (HANNN) als Energie (beide genoemd in het Regeerakkoord). Ook het optimaal benutten van de ruimtelijke kwaliteit voor wonen en toerisme behoort hiertoe. Als voorbeeld valt te denken aan een doordachte duurzame exploitatie van het Waddengebied als UNESCO werelderfgoed met het tegelijkertijd behouden van de ecologische en landschappelijke kwaliteit. 

2. Coördinatieproblemen

Het is duidelijk dat in demografische zin niet langer in groei gedacht moet worden, maar dat er in bepaalde gebieden een forse bevolkingsdaling kan optreden en in sommige gebieden is deze zelfs al geruime tijd aan de gang. Dit vergt integrale oplossingen op regionaal niveau. De SER Noord-Nederland constateert dat er dringend behoefte is aan een duidelijkere coördinatie van de vraagstukken in de regio. De verantwoordelijkheid dient in de regio te liggen; het regeerakkoord biedt hiertoe de mogelijkheden. De provincies zullen een versterkte regierol moeten spelen, ook op terreinen waar ze formeel (nu nog) geen wettelijke taken hebben; gemeenten zullen moeten samenwerken en het Rijk zal de krimpregio’s ruimte moeten geven voor experimenten en moeten toestaan dat uitzondering op bestaande regelgeving mogelijk is.

De Raad is van mening dat er afstemming van de verantwoordelijkheden tussen Rijk, provincie en gemeenten dient te komen die dit coördinatieprobleem oplost. Het Rijk moet daartoe de wettelijke kaders aanpassen of creëren. Gemeenten zullen, misschien soms onder d(w)(r)ang, veel meer op regioniveau met elkaar samen moeten werken. Ook dient er een betere coördinatie te komen tussen regio’s onderling en overkoepelend op Noordelijk niveau. Hier is de provincie/SNN aan zet.
De provincies en het SNN moeten tijdig (nu!) de noodzakelijke regie rol gaan vervullen en actief en doortastend in grijpen. Dit kan grotendeels binnen de reeds bestaande wetgeving en binnen de huidige (financiële) kaders en vergt vooral durf en activerend beleid.
 

3. Wet- en regelgeving en experimenten

De SER Noord-Nederland vraagt de Rijksoverheid om voor de krimpregio’s in (Noord-)Nederland bepaalde wetgeving te herzien die ontwikkeling van krimpgebieden tegenwerken, samenwerking bemoeilijken en experimenten belemmeren. Dit geldt met name op het terrein van samenwerking en noodzakelijke schaalvergroting van voorzieningen in zorg (NMA concurrentie-eisen die samenwerking, fusie etc. onmogelijk maken) en onderwijs (fusietoets die fusies van scholen in krimpgebieden onmogelijk maakt). In de wetgeving moet meer tot uitdrukking komen dat krimpende rurale gebieden andere regels vergen dan groeiende urbane gebieden.
Daarbij dienen regelluwe zones te worden benoemd, waarin geëxperimenteerd kan worden met nieuwe samenwerkingsvormen, publiekprivaat en bovengemeentelijk. Deze experimenten moeten dan overigens wel beperkt zijn in bureaucratische verantwoording, want anders is het middel erger dan de kwaal.

4. Bestuurlijke informatie en kennisontwikkeling

Het Kenniscentrum Krimp dat op 29 november a.s. officieel van start gaat, dient de kennisontwikkeling van krimp te stimuleren, te faciliteren en te coördineren. Het is noodzakelijk dat niet alleen oplossingen voor de korte termijn worden onderzocht, maar dat ook wordt geïnvesteerd in onderzoek dat inzicht geeft voor de langere termijn. In de recente provinciale nota Krimp en Groei - Demografyske feroaring yn de provinsje Fryslân (januari 2010) worden al een aantal duidelijke onderzoeksvragen geponeerd.

Er is verdergaand onderzoek nodig om de migratiestromen beter in beeld te krijgen. Zo is nog niet duidelijk hoe deze stromen verlopen en wie dat zijn. Het is bijvoorbeeld van belang om na te gaan wat nu de specifieke achtergronden zijn van de afname van de bevolking op dorpsniveau. Wordt dit voornamelijk veroorzaakt door demografische trends zoals vergrijzing en ontgroening of trekken mensen weg door een tekort aan goede voorzieningen, woningaanbod of werkgelegenheid? Of versterken deze ontwikkelingen elkaar?

Tevens is er nog geen duidelijk beeld van de dynamiek van de migratiestromen. Bij een negatief migratiecijfer vertrekken er meer mensen dan er terugkomen, maar welke bevolkingsgroepen vertrekken er en welke gaan er juist wonen? Bovendien is nog niet geheel duidelijk waar de mensen naar toe gaan of waar ze vandaan komen. Een interessante en relevante onderzoeksvraag is ook waarom het ene dorp wel groeit en het andere (soms naastgelegen) dorp niet .

Ook is het voor een goed krimpbeleid noodzakelijk om te weten hoe een voorzieningenpakket eruit moet zien voor een leefbare krimpregio. Hierbij gaat het niet alleen om welke voorzieningen daarvoor nodig zijn, maar ook de locatie en bereikbaarheid. Bovendien is het cruciaal om meer inzicht te krijgen in wat een minimaal draagvlak is per voorziening. Hierbij zou tevens onderzocht kunnen worden of het combineren van voorzieningen een groter bestaansrecht kan geven.

Een goede monitoring van een krimpgebied kan verhelderend werken ten aanzien van het gevoerde beleid. Als men bekijkt wat de effecten zijn van een gevoerd beleid weet men de efficiëntie ervan en kan men dit beleid eventueel aanpassen. Toekomstige krimpregio’s zouden hier een enorm voordeel mee kunnen doen.
Het Kenniscentrum moet ook zorgen voor het maximaal benutten van kennis uit andere krimpgebieden in Nederland en elders in de wereld. Aangezien de krimp de komende decennia een probleem zal blijven, is het verstandig nu te investeren in kennisontwikkeling.  

5. Integrale aanpak van eigen-woningproblematiek

Het eigen woningbezit in Noord-Nederland is relatief hoog. Een van de problemen van de krimp is dat huizen moeilijker te verkopen zijn, huiseigenaren zitten daarom opgesloten in het gebied. Ook is de marktwaarde van de huizen vaak lager dan de hypotheek. Het eigen huis wordt dan in plaats van een pensioenvoorziening een loden last. Dit geldt zeker als duurzame arbeidsrelaties onder druk komen te staan. Het kunnen betalen van de hypotheek of het kopen van een huis worden moeilijker als een vaste baan ontbreekt. Een vergelijkbaar vraagstuk dient zich overigens aan bij het vraagstuk van bedrijfsovernames en –overdracht in de krimpgebieden.

Een ander effect is dat de kwaliteit van de eigen-huizen voorraad snel achteruitloopt. Niet alleen particuliere woningvoorraad maar ook de sociale huurvoorraad staat onder druk in deze gebieden.
Bij dit probleem zijn vele partijen betrokken: woningbezitters, de gemeente, projectontwikkelaars, woningbouwcorporaties, provincie, Rijk, banken. De oplossing die momenteel in Parkstad Limburg wordt gehanteerd is het weghalen (slopen) van woningen. Door vermindering van de voorraad wordt dan de waarde van de resterende huizen behouden. De financiële middelen hiervoor komen van het Rijk, de Provincie en de Gemeentes. Ook gaan er geluiden op om de OZB te verhogen en deze meerinkomsten in te zetten voor krimp. 

Een andere oplossing die wordt genoemd is het rigoureus afboeken van te nemen verliezen door corporaties en banken. Deze problematiek geldt niet alleen voor woningen in krimpgebieden, maar ook voor bedrijfsgebouwen in krimpgebieden. Hierbij betekent het einde van een bedrijf, mogelijk ook het verdwijnen van banen naar elders. Ook hier is een integrale aanpak noodzakelijk omdat het probleem te groot is voor elk van de afzonderlijke partijen. Omdat op dit moment niet duidelijk is in welke vorm dit het best zou kunnen plaats vinden dringt de SER Noord-Nederland aan op een brede verkenning op korte termijn naar mogelijke oplossingen met bijbehorende pro’s en con’s. De provincies/SNN moeten hier het initiatief toe nemen en daarbij in ieder geval de woningbouworganisaties en de banken betrekken.

De effecten van het Regeerakkoord, om 1 miljoen van de 2.5 miljoen huur woningen te verkopen zouden ook verder onderzocht moeten worden voor Noord Nederland. Hier is namelijk de woningmarkt verstoord door het grote aanbod van relatief slechte en goedkope woningen. Extra aanbod door verkoop door corporaties zou de woningmarkt waarschijnlijk eerder verder verstoren dan uit het dal trekken. Het kenniscentrum zou dit effect kunnen onderzoeken. Het is belangrijk deze verkenning op korte termijn te effectueren. Immers de krimp zal zich de komende jaren verder gaan ontwikkelen, ook in andere gebieden van (Noord) Nederland. Voor locaties waar zich nog geen bevolkingsdaling voordoet, maar dit wel wordt verwacht, is het essentieel dat er beleid wordt ingezet en actief wordt gehandeld door overheden. Dit opdat in deze dorpen pro-actief kan worden geanticipeerd op bevolkingsdaling door burgers, maatschappelijke organisaties, instellingen en bedrijven zelf.